menu
IJzeren Hans 

Een sprookje voor de Michaëlstijd

Voor kinderen vanaf 5 à 6 jaar

Er was eens een koning, die een groot woud bij zijn paleis had, waarin waarin veel verschillende dieren leefden. Op een keer stuurde hij een jager erop uit om een ree te schieten, maar hij kwam niet terug. "Misschien is hem een ongeluk overkomen," zei de koning, en hij stuurde de volgende dag twee andere jagers erop uit om hem te zoeken. Maar die bleven ook weg.

Toen liet hij op de derde dag al zijn jagers bij zich komen en sprak: "Zoek het hele bos door en houd niet op voor je alle drie de jagers gevonden hebt." Maar ook hiervan keerde niemand terug, en van de hele meute honden die ze hadden meegenomen, werd er geen één meer gezien. Vanaf die tijd waagde niemand zich meer in het bos; het lag daar in diepe stilte en eenzaamheid, alleen zag men zo nu en dan een adelaar of een havik er overheen vliegen.

Dat duurde vele jaren; toen meldde zich een onbekende jager bij de koning, hij was op zoek naar een betrekking, en hij bood aan om het gevaarlijke woud in te gaan. Maar daar wilde de koning zijn toestemming niet voor geven; en hij zei: "Het is daar niet pluis, ik ben bang dat het je niet beter zou vergaan dan de anderen, en dan kom je er nooit weer uit." De jager antwoordde: "Heer, ik wil het wagen op eigen verantwoording; ik ken geen angst."

Dus ging de jager met zijn hond het bos in. Het duurde niet lang, of de hond kwam een dier op 't spoor, en wilde er achteraan: nauwelijks had hij een paar passen gedaan of hij stond voor een diepe poel; hij kon niet verder, en daar strekte zich opeens een naakte arm het water uit, pakte hem, en trok hem naar beneden. Toen de jager dat zag, ging hij terug en haalde drie mannen, die emmers mee moesten nemen en het water uit de poel scheppen.

Toen ze de bodem konden zien, lag daar een wildeman, die een lichaam had zo bruin als roestig ijzer en z'n haar hing over z'n gezicht tot aan z'n knieën. Ze bonden hem met touwen vast en voerden hem weg naar het kasteel. Iedereen was verbaasd over de wonderlijke wildeman, maar de koning liet hem in een ijzeren kooi in zijn hof zetten en verbood op de doodstraf, de deur van de kooi ooit te openen; de koningin zou de sleutel zelf in bewaring nemen. En van die tijd af kon iedereen weer veilig het bos ingaan.

De koning had een zoon van acht jaar, die eens in in de tuin speelde, en onder het spelen viel zijn gouden bal in de kooi. De jongen liep erheen en zei: "Geef me m'n bal aan." "Niet voordat je de deur voor mij hebt opengedaan," zei de man. "Nee," zei de jongen, "dat doe ik niet, dat heeft de koning verboden," en hij liep weg. De volgende dag kwam hij terug en eiste zijn bal weer op; maar de wildeman zei: "Open mijn deur," maar de jongen wilde het niet doen.

Op de derde dag was de koning weggereden om te gaan jagen, toen kwam de jongen nog eens terug en zei: "Al zou ik het ook willen, ik kan de deur niet openmaken, ik heb de sleutel niet!" Toen zei de wildeman: "Die ligt bij je moeder onder haar hoofdkussen, daar kun je hem halen." De jongen, die zijn bal terug wilde hebben, sloeg alle bezwaren in de wind en bracht de sleutel. De deur ging moeilijk open, en de jongen klemde zijn vinger. Toen de deur open was, kwam de wildeman de kooi uit, gaf hem de bal, en liep snel weg.

Nu werd de jongen bang en gilde en riep hem na: "Ach, wildeman, ga niet weg, want dan krijg ik slaag." De wildeman keerde zich om, tilde hem op, zette hem op zijn schouders en liep met snelle passen het bos in. Toen de koning thuiskwam zag hij de lege kooi, en vroeg aan de koningin hoe dat gekomen was. Ze wist er niets van, zocht de sleutel, maar die was weg. Ze riep de jongen, maar niemand antwoordde. De koning stuurde mensen erop uit, die hem op de velden moesten zoeken, maar ze vonden hem niet. Toen was het makkelijk om te raden wat er gebeurd was; en er heerste grote droefheid aan het koninklijk hof.

Toen de wildeman weer in het duistere woud was aangekomen, nam hij de jongen van zijn schouders en sprak tot hem: "Je vader en je moeder zie je niet meer, maar ik wil je bij me houden, want je hebt mij bevrijd en ik heb medelijden met je. Als je alles doet wat ik je zeg, dan zul je het goed hebben. Goud en schatten heb ik genoeg, meer dan wie ook in de wereld." Hij maakte een bed van mos voor de jongen waarop hij insliep en de volgende morgen bracht de man hem bij een bron, en zei: "Kijk, de goudbron is licht en helder als kristal, jij moet er bij gaan zitten en opletten dat er niets in valt, anders wordt hij ontwijd. Iedere avond kom ik kijken, of je mijn orders hebt opgevolgd."

De jongen ging aan de rand van de bron zitten, zag dat zich daarin nu eens een gouden vis, dan weer een gouden slang liet zien, en hij lette op, dat er niets in viel. Toen hij daar zo zat, kreeg hij zo'n heftige pijn aan zijn vinger, dat hij hem onwillekeurig in het water stak. Hij trok hem er snel weer uit, maar hij zag, dat hij helemaal verguld was, en hoeveel moeite hij ook deed om het goud er weer af te wrijven, alles was vergeefs.

's Avonds kwam de wildeman terug, keek de jongen aan en sprak: "Wat is er met de bron gebeurd?" "Niets, helemaal niets," antwoordde hij, en hij hield zijn vinger op zijn rug, opdat hij hem niet zou zien. Maar de man zei: "Je hebt je vinger in het water gedoopt. Deze keer zal ik het door de vingers zien, maar pas op, dat je er niet weer iets in laat vallen."

Bij het aanbreken van de morgen zat de jongen al bij de bron, en waakte erover. Weer deed zijn vinger hem pijn en hij streek ermee over zijn hoofd, toen viel ongelukkigerwijze een haar in de bron. Hij nam hem er snel uit, maar hij was al helemaal verguld. De wildeman kwam, en zag dadelijk wat er gebeurd was. "Je hebt een haar in de bron laten vallen!" zei hij, "ik zal het nog één keer door de vingers zien, maar als het voor de derde keer gebeurt, dan is de bron ontwijd en dan kun je niet langer bij me blijven."

De derde dag zat de jongen bij de bron en hij bewoog de vinger niet, al had hij nog zoveel pijn. Maar de tijd viel hem lang; en hij bekeek zijn gezicht in de waterspiegel. En toen hij zich steeds meer voorover boog, en zichzelf recht in de ogen wilde zien, toen vielen zijn lange haren van zijn schouders het water in. Vlug richtte hij zich op maar al zijn hoofdhaar was al verguld, en glansde als een zon. Je kunt je indenken hoe de arme jongen schrok. Hij nam z'n zakdoek, en bond die om zijn hoofd, opdat de man het niet zou zien. Maar toen hij kwam, wist hij alles al en zei: "Maak die doek los."

Toen golfden de gouden haren tevoorschijn en hoe de jongen zich ook verontschuldigde, het hielp hem niets. "Je hebt de proef niet doorstaan, en je kunt niet langer hier blijven. Ga de wijde wereld in, daar zul jij ervaren hoe het is om arm te zijn. Maar omdat je geen slecht hart hebt, en ik het goed met je meen, zal ik je één ding toestaan. Als je in nood bent, ga dan naar 't bos en roep: "IJzeren Hans" en dan zal ik komen en je helpen. Mijn macht is groot, groter dan je denkt, en goud en zilver heb ik in overvloed."

Toen verliet de koningszoon het woud, en liep steeds maar door over gebaande en ongebaande wegen, tot hij eindelijk in een grote stad aankwam. Hij zocht daar werk, maar hij kon niets vinden, en hij had ook niets geleerd waarmee hij zichzelf vooruit had kunnen helpen. Tenslotte ging hij naar het kasteel en vroeg of ze hem daar wilden opnemen. De hovelingen wisten niet, waarvoor ze hem zouden gebruiken, maar hij beviel hun wel, en zij zeiden hem te blijven. Uiteindelijk nam de kok hem in dienst en zei dat hij hout en water kon aandragen en de as bij elkaar vegen.

En eens op een keer, toen er juist niemand anders beschikbaar was, droeg de kok hem op om de spijzen naar de koninklijke dis te dragen, maar omdat hij z'n gouden haren niet wilde laten zien, hield hij z'n hoedje op. Zoiets had de koning nog nooit beleefd en hij sprak: "Als je bij de koninklijke tafel komt, dien je je hoed af te zetten." "Ach Heer," antwoordde hij, "dat kan ik niet, ik heb een lelijke schurft op mijn hoofd."

Toen liet de koning de kok erbij roepen en berispte hem, en vroeg hoe hij zo'n jongen in dienst had kunnen nemen; hij moest hem maar dadelijk wegjagen. Maar de kok had medelijden met hem en verruilde hem voor de tuinmansjongen. Nu moest de jongen in de tuin planten en begieten, hakken en graven, en wind en slecht weer over zich heen laten gaan.

Op een zomerdag, toen hij alleen in de tuin werkte, was het zó warm, dat hij z'n hoedje afzette, zodat hij wat frisse lucht kon krijgen. De zon scheen zó op zijn haar, dat het schitterde en fonkelde, zodat de stralen tot in de slaapkamer van de prinses schenen en ze overeind sprong om te zien, wat dat was. Ze kreeg de jongen in 't oog en riep: "Jongen, breng mij een boeket bloemen!" Hij zette vliegensvlug z'n hoedje op, plukte wilde veldbloemen en bond ze samen. Toen hij daarmee de trap opging, kwam de tuinman hem tegemoet, die zei: "Hoe kun je nu aan de prinses een bos armzalige wilde bloemen brengen? Ga gauw andere halen en zoek de mooiste en de zeldzaamste uit." "O nee," zei de jongen, "wilde bloemen ruiken sterker en zullen haar beter bevallen."

Toen hij in de kamer kwam sprak de koningsdochter: "Neem je hoedje af, het is ongepast dat je het in mijn nabijheid op houdt." En hij zei weer: "Dat kan ik niet, ik heb schurft op mijn hoofd". Maar zij greep naar 't hoedje en trok het af, en daar rolden zijn gouden haren om zijn schouders, en het zag er prachtig uit. Hij wilde wegrennen, maar zij hield hem bij z'n arm vast en gaf hem een handvol dukaten. Hij ging ermee weg, maar hij gaf niets om het goud, en bracht het naar de tuinman, en zei: "Ik geef het aan je kinderen, die kunnen ermee spelen."

De volgende dag riep de prinses hem weer toe, dat hij haar een veldboeket moest brengen, en toen hij daarmee binnenkwam, greep ze meteen naar zijn hoedje om het hem af te nemen, maar hij hield het met beide handen vast. Weer gaf ze hem een handvol dukaten, maar die wilde hij niet houden en gaf ze aan de tuinman als speelgoed voor zijn kinderen. De derde dag ging het niet anders: zij kon hem zijn hoedje niet afnemen, en hij wilde haar goud niet hebben.

Niet lang daarna ging het land gebukt onder oorlog. De koning riep zijn manschappen bij elkaar en wist niet of hij de vijand, die overweldigend was en een groot leger bezat, wel tegenstand zou kunnen bieden. Toen zei de tuinmansjongen: "Ik ben nu volwassen geworden en wil mee ten strijde trekken; geef mij maar een paard!" De anderen lachten, en zeiden: "Als we weg zijn, zoek er dan maar een uit: we zullen er een voor je op stal achterlaten!" Toen ze vertrokken waren, ging hij de stal in, en leidde het paard naar buiten; het was aan één been lam en hinkte, hinkelepink, hinkelepink. Toch ging hij erop zitten en reed naar het donkere woud.

Toen hij aan de rand daarvan was aangekomen, riep hij driemaal: "IJzeren Hans!" zó luid, dat het schalde door de bomen. Dadelijk daarop kwam de wildeman en zei: "Wat wens je?" "Ik wens een sterk paard, want ik ga ten strijde trekken." "Dat zul je hebben, en nog meer dan je wenst." Daarop ging de wildeman weer terug het bos in, en het duurde niet lang of een stalknecht kwam uit het bos die een paard aan de teugel leidde, dat brieste door z'n neusgaten en nauwelijks te bedwingen was. Daar achteraan kwam een grote schare krijgsvolk, geheel geharnast, en hun zwaarden schitterden in de zon.

De jongeling gaf zijn driebenig paard aan de stalknecht over, besteeg het andere en reed voor de schare uit. Toen hij het slagveld naderde was reeds een groot deel van de soldaten van de koning gevallen, en het scheelde maar weinig of ook de anderen moesten vluchten. Daar kwam de jongeling met zijn geharnast krijgsvolk aangestoven, voer als een stormwind over de vijand heen en versloeg iedereen die zich tegen hem verzette. Ze sloegen op de vlucht, maar de jongeling zat hen op de hielen, en hield niet op voor er geen man meer over was.

Maar in plaats van naar de koning terug te keren, leidde hij zijn mannen langs omwegen weer naar het bos, en riep IJzeren Hans tevoorschijn. "Wat wens je?" vroeg de wildeman. "Neem je paard en je krijgsvolk terug en geef mij weer mijn driebenig paard." Alles gebeurde wat hij wenste, en hij reed op zijn driebenig paard naar huis.

Toen de koning in zijn slot terugkeerde, kwam zijn dochter hem tegemoet en wenste hem geluk met zijn overwinning. "Ik ben het niet, die de overwinning behaald heeft," sprak hij, "maar een onbekende ridder, die mij met zijn schare te hulp kwam." De dochter wilde weten, wie de onbekende ridder was geweest, maar dat wist de koning niet, en hij zei: "Hij heeft de vijanden achtervolgd, en ik heb hem niet meer terug gezien."

Ze vroeg de tuinman naar de jongen; maar die lachte, en zei: "Zojuist is hij op zijn driebenig paard thuisgekomen, en de anderen hebben hem bespot en geroepen: "Daar komt onze hinkepoot weer aan." Ze vroegen ook: "Achter welke heg heb je onderwijl liggen slapen?" Maar hij zei: "Het beste is door mij gedaan, zonder mij zou het slecht gegaan zijn." Toen werd hij nog meer uitgelachen."

De koning sprak tot zijn dochter: "Ik wil een groot feest laten aankondigen, dat drie dagen zal duren, en jij moet een gouden appel werpen. Misschien komt de onbekende hierheen."

Toen het feest aangekondigd was, ging de jongeling naar het woud en riep IJzeren Hans. "Wat wens je?" vroeg hij. "Dat ik de gouden appel van de koningsdochter vang." "Het is of je hem al had," zei IJzeren Hans", "je zult er ook een rode wapenrusting bij hebben en je zult rijden op een fiere vos." Toen de dag aangebroken was, kwam de jongeling aandraven, stelde zich op tussen de ridders, en werd door niemand herkend. De prinses kwam naar voren, en wierp de ridders een gouden appel toe, maar niemand ving hem dan hij alleen. Maar zodra hij hem had, stoof hij er mee voort.

De tweede dag had IJzeren Hans hem als witte ridder uitgerust en hem een schimmel gegeven. Weer ving alleen hij de appel, echter hij draalde geen ogenblik, maar reed er in allerijl mee weg. De koning was boos en sprak: "Dat is niet toegestaan, hij moet voor mij verschijnen en zijn naam noemen." Hij gaf bevel, dat wanneer de ridder, die de appel gevangen had, er weer vandoor ging, men hem moest achtervolgen, en als hij niet vrijwillig terugkeerde, moesten ze op hem inslaan en hem steken.

Op de derde dag kreeg hij van IJzeren Hans een zwarte uitrusting en een zwart paard, en hij ving ook weer de appel. Maar toen hij ermee weggaloppeerde, achtervolgden de mannen van de koning hem, en één van hen kwam zo dichtbij, dat hij hem met de punt van zijn zwaard het been verwondde. Toch ontkwam hij aan hen, maar zijn paard nam zo'n geweldige sprong, dat de helm hem van 't hoofd viel en ze konden zien dat hij gouden haar had. Ze reden terug en vertelden alles aan de koning.

De volgende dag vroeg de prinses de tuinman naar zijn jongen. "Hij werkt in de tuin. De wonderlijke snuiter is ook bij 't feest geweest en pas gisteravond thuis gekomen, hij heeft aan mijn kinderen drie gouden appels laten zien die hij gewonnen had." De koning liet hem bij zich komen, hij verscheen, en had het hoedje weer op zijn hoofd. Maar de prinses liep naar hem toe en nam het hem af; en zijn gouden haren vielen hem over zijn schouders, en hij was zo mooi, dat ze allen verbaasd waren.

"Was jij de ridder die iedere dag op het feest kwam, steeds in een andere kleur, en die de drie gouden appels gevangen heeft?" vroeg de koning. "Ja," antwoordde hij, "en hier zijn de appels," en hij haalde ze uit zijn zak en overhandigde ze de koning. "Als u nog meer bewijzen verlangt, dan kunt u de wond zien, die uw mannen mij hebben toegebracht toen zij mij achtervolgden. Maar ik ben ook de ridder, die u aan de overwinning op de vijand geholpen heeft."

"Wanneer je zulke daden kunt verrichten, dan ben je geen tuinmansjongen. Zeg mij, wie is je vader?" "Mijn vader is een machtige koning, en goud heb ik in overvloed en zoveel ik maar wens" "Ik zie wel," zei de koning, "dat ik je dank verschuldigd ben, kan ik je ergens een genoegen mee doen?" "Ja," antwoordde hij, "dat kunt u, geef mij uw dochter tot vrouw."

Toen lachte het meisje en zei: "Hij windt er geen doekjes om! Maar ik heb al aan zijn gouden haar gezien dat hij geen tuinmansjongen is", en ze liep naar hem toe en kuste hem. Op de bruiloft kwamen zijn vader en moeder, en ze waren heel gelukkig , want ze hadden alle hoop opgegeven hun geliefde zoon ooit nog te zien.

Toen ze aan de bruiloftsdis zaten, verstomde opeens de muziek, de deuren gingen open, en een machtige koning trad naar binnen met groot gevolg. Hij ging naar de jongeling toe, omarmde hem en sprak: "Ik ben IJzeren Hans, en ik was veranderd in een een wildeman, en jij hebt mij verlost. Alle schatten die ik bezit, zullen jouw eigendom zijn."

© 2016 Vertaling Tineke's DoeHoek / AntroVista