Een oudduitse winterfabel, voor kinderen van 7/8 jaar
Uit de verzameling van Ludwig Bechstein (1801-1860)
Een haas en een vos waren samen op reis. Het was winter, er groeide geen enkel plantje, en op de velden kroop muis noch luis. "Wat een schraal weer," sprak de vos, "mijn maag rammelt van de honger." - "Ja, zeker," antwoordde de haas, "alles is één en al dorheid, ik zou zelfs mijn oren willen opvreten als ik ze in mijn bek zou kunnen krijgen!"

Zo gingen ze hongerig, gezamelijk voort in een drafje. Daar zagen ze vanuit de verte een boerenmeisje naderbij komen. Zij droeg een mand aan haar arm. En vanuit de mand kwam een aangename geur de vos en de haas tegemoet, de geur van vers gebakken broodjes.
"Weet je wat," zei de vos, "ga hier languit liggen en doe alsof je dood bent. Het meisje zal haar mand neerzetten en je op willen pakken, om je arme pels buit te maken, want van hazenhuiden worden handschoenen gemaakt. Ondertussen zal ik, om ons te troosten, de broodmand grijpen."

De haas volgde de raad van de vos op, viel neer en deed alsof hij dood was. En de vos verstopte zich achter een heuvel van opgewaaide sneeuw. Het meisje kwam, zag de verse haas, met de vier uitgestrekte poten, zette keurig haar mand neer en boog zich over de haas.
Nu kwam snel de vos tevoorschijn, greep de mand, en rende daarmee weg, dwars door het veld, en meteen kwam de haas weer tot leven en snelde zijn begeleider achterna.
Het leek er echter niet op dat de vos zou gaan stoppen om de broodjes te delen; hij liet merken dat hij ze alleen wilde opvreten. Tot zijn grote ongenoegen merkte de haas dat. Toen ze nu in de buurt van een klein meertje kwamen, zei de haas tot de vos: "Hoe zou het zijn als wij onszelf een vismaaltijd zouden verschaffen? Dan hebben we vis en wittebrood, zoals de hoge heren! Als je nu je staart een klein stukje in het water laat hangen, dan zullen de vissen, die nu ook niet veel te happen hebben, zich daaraan hechten. Maar haast je, voordat de vijver dichtvriest."
De vos begreep het idee, hij liep naar de vijver, die bijna dichtgevroren was, en hing zijn staart erin, en na heel korte tijd was de staart van de vos vastgevroren. Toen nam de haas de broodjesmand, hij vrat de broodjes één voor één, op zijn gemak, op, voor de ogen van de vos, en hij zei tegen de vos: "Wacht maar, tot het gaat dooien, wacht maar tot het voorjaar, wacht maar tot het gaat dooien!" en hij ging er vandoor, en de vos blafte hem na, zoals een kwaaie hond, die aan de ketting ligt. 
Ludwig Bechstein (1801-1860)
Vertaling: © www.doehoek.nl/www.antrovista.com
Oudduitse versie uit de verzameling van Ludwig Bechsteinn
Der Hase und der Fuchs
Ein Hase und ein Fuchs reisten beide mit einander. Es war Winterszeit, grünte kein Kraut, und auf dem Felde kroch weder Maus noch Laus. "Das ist ein hungriges Wetter," sprach der Fuchs zum Hasen, "mir schnurren alle Gedärme zusammen." - "Ja wohl" antwortete der Hase. "Es ist überall Dürrhof, Und ich möchte meine eignen Löffel fressen, wenn ich damit ins Maul langen könnte."
So hungrig trabten sie mit einander fort. Da sahen sie von weitem ein Bauernmädchen kommen, das trug einen Handkorb, und aus dem Korb kam dem Fuchs und dem Hasen ein angenehmer Geruch entgegen, der Geruch von frischen Semmeln.
"Weißt Du was!" sprach der Fuchs. "Lege Dich hin der Länge lang, und stelle Dich todt. Das Mädchen wird seinen Korb hinstellen und Dich aufheben wollen, um Deinen armen Balg zu gewinnen, denn Hasenbalge geben Handschuhe; derweilen erwische ich den Semmelkorb, uns zum Troste."
Der Hase that nach des Fuchsen Rath, fiel hin und stellte sich todt, und der Fuchs duckte sich hinter eine Windwehe von Schnee. Das Mädchen kam, sah den frischen Hasen, der alle Viere von sich streckte, stellte richtig ihren Korb hin und bückte sich nach dem Hasen.
Jetzt wischte der Fuchs hervor, erschnappte den Korb und strich damit querfeldein, gleich war der Hase lebendig und folgte eilend seinem Begleiter.
Dieser aber stand gar nicht still, und machte keine Miene, die Semmeln zu theilen, sondern ließ merken, daß er sie allein fressen wollte. Das vermerkte der Hase sehr übel. Als sie nun in die Nähe eines kleinen Weihers kamen, sprach der Hase zum Fuchs: "Wie wäre es, wenn wir uns eine Mahlzeit Fische verschafften? Wir haben dann Fische und Weißbrod, wie die großen Herren! Hänge Deinen Schwanz ein wenig ins Wasser, so werden die Fische, die jetzt auch nicht viel zu beißen haben, sich daran hängen. Eile aber, ehe der Weiher zufriert."
Das leuchtete dem Fuchs ein, er ging hin an den Weiher, der eben zufrieren wollte, und hing seinen Schwanz hinein, und eine kleine Weile, so war der Schwanz des Fuchses fest angefroren. Da nahm der Hase den Semmelkorb, fraß die Semmeln vor des Fuchses Augen ganz gemächlich, eine nach der andern, und sagte zum Fuchs: "Warte nur, bis es aufthaut, warte nur bis ins Frühjahr, warte nur bis es auftaut!" und lief davon, und der Fuchs bellte ihm nach, wie ein böser Hund an der Kette.
Ludwig Bechstein (1801-1860)
Een schaduwspel naar een stapelsprookje
Verhalen vertellen | winter
Een verhaal voor de kersttijd
Nienke van Hichtum
Kersttijd | verhalen vertellen
Een kerstverhaal voor de kleintjes
Hermien IJzerman
Verhalen vertellen | Kersttijd
De Ezel, de Beer en de Nachtegaal
Een verhaal voor de lentetijd
voor kinderen van 7 t/m 8 jaar
Lente | verhalen vertellen
Een oudejaarsavondverhaal uit Japan
vanaf 10 jaar
Oud en nieuw | verhalen vertellen | Kersttijd
Een paasverhaal uit Griekenland, vanaf 10 jaar
Maja Muntz-Koundoury
Paastijd | verhalen vertellen
Een kerstverhaal voor kinderen vanaf 8 jaar
Uit: 'Christuslegenden' van Selma Lagerlöf
Kersttijd | verhalen vertellen
Een verhaal voor kleine kinderen
Door Hermien IJzerman
Kersttijd | verhalen vertellen
De Nachtegaal, een paaslegende
Voor kinderen vanaf 7 jaar
Hermien IJzerman
Palmpasenweek | verhalen vertellen | Paastijd




















_157525.jpg)



_574673.jpg)